Salsa
Nederlands Opleidingsinstituut voor Dansleraren Tachi Bon.
Opleidingsinstituut voor dansleraren in de Latijns-Amerikaanse,
Caribische en andere dansvormen.
Cayennedreef 10, 3563 SB Utrecht, The Netherlands.
Tel./Fax: +31(0)30-2 66 17 57 mobiel: +31(0)6-48939183
e-mail:info@shashabon.info BTW nr.: 0958.16.094
ABN-AMRO bank gironr: 571377092 t.n.v. F.J. Doran te Utrecht, The Netherlands.
Een onderdeel van:
Als er in dit document sprake is van ‘hij’ of ‘hem’, dan worden hiermee natuurlijk ook de vrouwelijke termen bedoeld.
©Tachibon, januari 2009.
DE TAMBORA
Van links naar rechts: de tamboerijn, de tres en de güiro(houten rasp)
©Tachibon, september2006
De oorsprong van de Salsa muziek
Muziek van de Indianen
Voor de komst van de Spanjaarden was Cuba door groepen indianen bevolkt. Door hun areitos (collectieve dansen) waren mythen en religieuze gebruiken generaties lang bewaard. De areitos speelden een grote sociale rol bij de bouw van hutten en bij de maïsoogst. De indianen maakte muziek met houten spleettrommen, belletjes, fluitjes gemaakt van botten, rammelaars en kettingen van schelpen die ze om armen en benen droegen. Ook gebruikte ze een grote zeeschelp als hoorn.
Cuba een koloniaal gebied
Vanaf de 16e tot de 19e eeuw is Cuba een koloniaal gebied van de Spanjaarden en Portugezen geweest. In de 16e eeuw maakte de Spaanse muziek dus een reis naar het nieuwe continent. De areitos werd in 1512 verboden en in 1574 waren er geen indianen meer op Cuba. De constante vraag naar werkkrachten voor de suikerrietplantages werkte de grootste mensenhandel uit de geschiedenis in de hand. Slaven uit Afrika werden in grote getale aangevoerd. Cuba ronselde langer dan welk Zuid-Amerikaans & Caribische eiland dan ook slaven uit Afrika.
Beginselen van de Zuid-Amerikaanse & Caribische muziek
De beginselen van de Zuid-Amerikaanse dansen liggen in de muziek die door de Afrikaanse slaven werd gemaakt. Zoals gezegd was de areitos verboden op Cuba. Van de Indiaanse areitos is niet veel meer terug te vinden behalve het gebruik van enkele instrumenten zoals de grote schelphoorn en de maracas(de rammelaar). Het meest gebruikte instrument in de Cubaanse muziek was de trommel. Bij gebrek aan trommels werden ook wel kistjes gebruikt. Ook de beoefening van de trommel werd ook regelmatig verboden. Dit doordat de heersende klasse met haar geïmporteerde muziek uit Europa een grote minachting had voor de “dierlijke” Afrikaanse muziek van de slaven. Echter zodra de Spanjaarden merkten dat deze barbaarse uitingen een stimulans vormden voor de slavenarbeid werden ze weer toegestaan.
De clave is een muziekinstrument dat door de slaven is ontwikkeld. Voor het verbinden van de scheepsspanten werden duizenden hardhouten pennen gebruikt. Een dwangarbeider merkte een kristallijnen geluid op toen hij twee pennen tegen elkaar tikte. Hiermee schonk deze dwangarbeider het eiland (Cuba) een origineel muziekinstrument: de clave. De Cubaanse boeren zouden de klank van de clave steeds associëren met de vrije natuur en ongereptheid. Tijdens de oorlogen klonk de clave als een hartenkreet die de kampementen vervulde met hoop.
Van de grootgrondbezitter kregen de slaven af en toe andere instrumenten (violen, piano, gitaren en fluiten), zodat ze de gegoede burgerij konden vermaken met hun muziek. Zo drongen Afrikaanse muziekelementen door. De melodie speelde in de Europese muziek een centrale rol. De Afrikaanse invloeden zijn met name terug te horen in het grote aantal aanstekelijke en niet eenvoudige ritmes die de Zuid-Amerikaanse muziek kent.
Toen aan het eind van de 19e eeuw de slavenhandel werd afgeschaft raakte het proces van cultuurvermenging in een stroomversnelling. Uit deze vermenging van Afrikaanse ritmes en Europese melodieën is de veelheid aan Cubaanse muziek ontstaan. De Cubaanse Son, aanvankelijk verboden, werd later binnengehaald in de salons. De ziel van de Cubaanse muziek is Afrikaans en daarom wordt nog steeds gesproken van Afro-Cubaanse muziek.
Cuba
Op het eiland Cuba is een buitengewoon grote verscheidenheid aan ritmes/muzieksoorten ontstaan. Als verklaring hiervoor kan een aantal factoren aangewezen worden, zoals bijvoorbeeld de kolonisator van dit eiland, Spanje. De Spanjaarden hadden zelf al een sterke eigen muzikale traditie, die ze met zich meebrachten naar de “nieuwe wereld”. Daarnaast lieten zij als een van de weinige Europese koloniale mogendheden de slaven vrij in het praktiseren van hun eigen muziek- en dansuitingen. Centraal in de muziek van de uit Afrika afkomstige slaven, stond de trom en het ritme. De Spanjaarden brachten hun Europese instrumenten mee, zoals de gitaar, de piano en diverse blaasinstrumenten. Melodie speelde in de Europese muziek een centrale rol. Uit deze vermenging van Afrikaanse ritmes en Europese melodieën is de veelheid aan Cubaanse muziek ontstaan.
Onder deze muzieksoorten vindt je zowel sterk op Afrikaanse leest gestoelde muziekvormen zoals de santeria-muziek behorende bij het Yoruba-geloof en de rumba als de meer van de Europese muziek afgeleide danzon, habanera en son.
Zuid-Amerikaanse dansstijlen
Naast Spaanse invloed hadden ook de Fransen en Engelsen invloed op het Caribische gebied. Elk land ontwikkelde een aantal dansstijlen waarvan enkele puur Afrikaans, andere louter Spaans. De meerderheid van de stijlen ligt daar ergens tussenin. Zo komt de plena uit Puerto Rico, de calypso uit Trinidad, de merengue uit Haïti (Dominicaanse Republiek), de sarandunga uit de Dominicaanse Republiek, de porro en cumbia uit Colombia.
Doorbraak van de Afro-Cubaanse muziek
Het begin van de 20e eeuw is de grondslag van de salsamuziek. Dit loopt parallel met de doorbraak van het Afro-Cubaanse slagwerk. Na de wereldoorlog II trokken veel Latino’s waaronder Cubanen, Puertoricanen, Colombianen en Venezolanen naar de Verenigde Staten waar ze zich met name concentreerden in New York City. Allen brachten hun muzikale bagage mee, namelijk de vele muzieksoorten en de enorme verscheidenheid aan namen. Uit Cuba de son, guaracha, rumba en danzon en later de mambo en cha-cha-cha. Uit Puerto Rico de bomba en plena. Om enige ordening aan te brengen in deze terminologie werd naar een verzamelnaam gezocht (Salsa). Salsa betekent in het Spaans saus en is de verzamelnaam voor diverse soorten Latijns-Amerikaanse muziek. Op een gegeven moment is de salsa echter verbonden met een bepaald ritme. Dit gebeurde zo rond de opkomst van het populaire platenlabel Fania in de vroeg zeventiger jaren in New York. Je zou dus kunnen stellen dat salsa is ontstaan in New York maar grotendeels is afgeleid van een geïnspireerd op Cubaanse muziek. Nog steeds is New York een van de hot-spots van het salsa gebeuren.
Salsa-saus
Salsa, saus in het Spaans, is een begrip waar en veel en weinig onder valt. Een saus gemaakt van verschillende ingrediënten en is smakelijk en pittig van smaak. In de enge zin is salsa een muzieksoort, een moderne variant van Latijns-Amerikaanse muziek.
In de brede zin van het woord is salsa een verzamelnaam voor diverse soorten Latijns-Amerikaanse muziek en dans. Hoe zit dat nu precies en waar komt die salsa eigenlijk vandaan. Ofwel wat zijn de raíces(roots van de) de la salsa.
Saus Zoals gezegd, “salsa” betekent in het Spaans niets anders dan “saus”.
Cubaanse muzikanten gebruikten de term echter ook wel eens om in een nummer een smeuïg gedeelte aan te duiden. In veel Zuid-Amerikaanse muziek komt een nummer na enkele coupletten tot een climax, meestal in het zogenaamde montuno gedeelte. Dit is een deel van een nummer dat iets extra’s heeft, wordt als het ware overgoten met een lekkere saus/salsa.
New York
Op welk moment precies is moeilijk te zeggen, maar op een gegeven moment is de term “salsa” geadopteerd als verzamelnaam voor Latijns-Amerikaanse ritmes. Na verloop van tijd raakte de term “salsa” echter verbonden met een bepaald ritme. Dit gebeurde zo rond de opkomst van het populaire platenlabel Fania in de vroeg-zeventiger jaren in New York. Artiesten die onder het Fania-label actief waren zijn: Celia Cruz, Willy Colon, Tito Puente, Ruben Blades en Ismael Miranda. Je zou dus kunnen stellen dat salsa is ontstaan in New York, maar grotendeels is afgeleid van en geïnspireerd op Cubaanse muziek. Nog steeds is New York een van de hot-spots van het salsagebeuren. Toonaangevend is nu het RMM label met artiesten zoals Jose Alberto, La India, Marc Anthony, Tito Nieves en Celia Cruz.
El Son
De son, parel van de populaire Cubaanse muziek, de blues van Cuba is aan het eind van de vorige eeuw ontstaan in de Oriente, de streek in het oosten van Cuba. Belangrijke stad in dit gebied is Santiago de Cuba, eens de hoofdstad van Cuba. De traditionele son wordt gespeeld op
de tres(gitaar), marimbula(houten box met metalen platen) of contra-bas, bongo(twee trommeltjes) en claves (twee korte houten stokken). Later werden hier maracas(ramelaar) en trompet aan toegevoegd. De claves zijn twee stokjes die een specifiek ritme aangeven, simpelweg de clave genoemd. Dit ritme vormt de basis van nagenoeg alle Cubaanse populaire dansmuziek en de hedendaagse salsa. Grote namen in de traditionele son zijn Ignacio Pineiro, Miguel Matamores en Arsenio Rodriguez. De son is een belangrijke cultuuruiting geworden op Cuba met haar muziek, dans en poëzie en is nog steeds enorm populair. In Santiago de Cuba en verschillende andere steden van Cuba, bestaat nog steeds het Casa de la Trova waar de traditionele son ten gehore wordt gebracht door bijvoorbeeld Quatro Patria(vier steden).
Een andere populaire vertolker van de traditionele son, maar met een uitgebreidere bezetting is de groep Sierra Maestra. De son ontwikkelt zich echter nog steeds.
Zo brengen artiesten als Adalberto Alvarez en Isaac Delgado een moderne vorm van son ten gehore. Onlangs heeft zich een ware revival van de traditionele son voltrokken. Mede aangesticht door het door Ry Cooder verzamelde gezelschap Buena Vista Social Club, is de belangstelling voor de oude son klassiekers momenteel gigantisch groot. Met een klap van de clave is een publiek bereikt en zijn verkopen gerealiseerd waar menig salsa-artiest al jaren van droomt.
Salsa
De son werd door de Cubanen naar New York meegebracht. Door kruisbestuiving tussen de andere Latino’s en de beschikbaarheid van nieuwe instrumenten en elektronica werd de salsa uit de son geboren. Veel oudere Cubanen zeggen dat salsa in essentie eigenlijk de muziek is die in de jaren veertig in Cuba werd gespeeld. In de film “Las raíces de la salsa” (de wortels van de salsa) werd gesproken van son con(met) son. Daarmee trachtte men aan te geven dat de hedendaagse salsa een krachtige uitvoering is van de traditionele son. In essentie is het ritme van de salsa, de clave en de accenten weliswaar hetzelfde als de son, toch is salsa niet hetzelfde. Het klinkt namelijk geheel anders. Salsa mag dan gebaseerd zijn op een oud concept, het is wel muziek van deze tijd. Muziek die strak wordt gespeeld, waarbij gebruikt gemaakt wordt van moderne opnametechnieken waardoor het goed in het gehoor ligt. Salsa voldoet aan de eisen van de dansers van deze tijd en klinkt als een klokje, ook in een dansclub. De moderne salsa is sterk genoeg gebleken om het op te nemen tegen de westerse rock en dance-industry. Salsadansen wordt wereldwijd gepraktiseerd en via de salsa ontstaat ook de interesse in andere Latin ritmes. Gek genoeg is het momenteel de oude son die de interesse voor de moderne salsa wekt! Hoe het ook zij, alles is een erkenning van de kracht en schoonheid van de Latin muziek.
De salsa muziek
Salsa is een muziekvorm opgebouwd uit verschillende in elkaar vervlochten ritmische patronen.
De salsa muziek bestaat uit twee delen. Het eerst gedeelte doet denken aan een happening waarbij de band elkaar aftrasten. Het tweede gedeelte is wanneer het accent op dezelfde plaats valt. In de salsamuziek zit dan ook een zich steeds herhalend vast ritmisch motief in wat een clave heet.
Een feeling afkomstig uit West-Afrika die in het Caribische gebied uitgegroeid is tot een ritmisch patroon. Vroeger stond er in het orkest iemand op twee hardhouten stokjes dat motief, de clave, te tikken. Elke muzikant musiceert op en om de Clave heen. Het vlechtwerk rondom dat motief (clave) kan op een gegeven moment zo hecht in elkaar zitten dat er bij de aanwezigen een gevoel van welbehagen ontstaat. (E ta zona sera, het klikt gesloten, the band sounds tight.)
In veel Zuid Amerikaanse muziek komt een nummer na enkele coupletten tot een climax, meestal in het zogenaamde montuno gedeelte. Dit is een deel van een nummer dat iets extra’s heeft, wordt als het ware overgoten met een lekkere saus (salsa).
Het ritme van de salsa lijkt op de son (afkomstig van Cuba). In essentie is het ritme van de salsa, “de clave” en de accenten hetzelfde als de son. Toch is salsa niet hetzelfde. Het klinkt anders. Salsa is gebaseerd op een oud concept, maar is wel muziek van deze tijd. De muziek wordt strak gespeeld, waarbij gebruik wordt gemaakt van moderne opnametechnieken waardoor het goed in het gehoor ligt. Salsa voldoet aan de eisen van de dansers van deze tijd. De moderne salsa echter is weer sterk gebaseerd op de oude son.
Ondertussen in Havana
Terwijl de Salsa uit New York vanaf de jaren zeventig de wereld begon te veroveren, gingen ook in Cuba de ontwikkeling van bijvoorbeeld de son door. In eerste instantie zat die ontwikkeling vooral in het toevoegen van meer instrumenten zoals een blazerssectie, piano, bongo’s en kleine percussie, conga’s, fluit en viool. Hierdoor groeiden de son-trio’s en kwartetten uit tot sextetos en uiteindelijk tot charanga orkesten zoals Original de Mazanilla, Orquesta Reve en Grupo Manguare. Er werd echter ook naar nieuw wegen gezocht. Dit ging zowel door het gebruiken van jazz elementen zoals bijvoorbeeld bij Irakere te horen is. Anderzijds werd gezocht naar nieuwe ritmes. Een goed voorbeeld hiervan is de Songo die Juan Formell en zijn band Los Van Van ontwikkelde. De son is echter altijd de leidraad gebleven. Ook bij de moderne muziek van Cuba waaraan de naam timba wordt gegeven.
Basis is de son, maar hieraan zijn scherpere breaks en accenten toegevoegd. Ook wordt gebruik gemaakt van drumstel en synthesizers. Voorbeelden van deze moderne populaire Cubaanse zijn Climax, Manollin en La Charanga Habanera.
bron: 1. www.thelatinworld.nl geschreven door Jeroen Con Sabor.
2. Afstudeeropdracht van Ideke Kastelijn, danslerarenopleiding m/v Tachi Bon.
3. Document 2 en 3 zijn door Frensel Doran samengevoegd.
De oorsprong van de Merengue muziek
De roots van de ’salsa’, de Afro-Cubaanse Son (Montuno), liggen natuurlijk in Afrika, denk maar aan de Son-vermin ales Cangue, de Chive of de Quietude caravan de kenmerken Afrikaans zijn. De meeste muziekvormen zijn door de Afrocubanen meegenomen uit Haïti toen de plantage-eigenaren vluchtten naar Cuba.
De merengue komt oorspronkelijk uit Afrika, Haïti als Cuba waar hij bekend is onder de naam “mirengue of marengue” en een ritme uit de Tumba Francesa (Santiago de Cuba) betreft.
Toen de Cubaanse Tumba Francesa of danzon/danza populair werd in de Dom. Republiek is men vooral dat deel gaan spelen dat “merengue”werd genoemd. Toen de Dominicanen naar New York kwamen namen ze “hun muziek” mee die hier in latin jazzbands wordt gespeeld.
In Nederland kennen we alleen de Son (Montuno) en Merengue uit New York gespeeld door latin jazzbands (conjunto) met grote invloeden uit de acrobatische jazz(dans). In de landen van oorsprong wordt op deze muziek natuurlijk heel anders gedanst!
De vrolijke merengue is de meest populaire en meest verspreide Dominicaanse dans en wordt daar bij elke feestelijke gelegenheid, religieus of werelds, ten gehore gebracht, met als hoogtepunten het jaarlijkse Merengue Festival in de zomer, het karnaval en het Latin Music Festival aan El Malecon in Santo Domingo. De merengue werd populair tegen het midden van de 19de eeuw. Niet veel later verspreidde zij zich over het hele Caribische gebied en over Zuid-Amerika, mede door toedoen van de Dominicaanse dictator Trujillo. De man, regerend van 1930 tot 1961, stamde zelf van boeren af en maakte er een erezaak van om de merengue te promoten. De maatschappijkritische teksten moesten er wel aan geloven, maar hij verschafte de musici een forum.
De merengue is nu een van de gevestigde Latijns-Amerikaanse dansen en één van de weinige die naast de salsa standhoudt.
De verspreiding van de merengue ging niet altijd zo gemakkelijk. In 1849 werd in Puerto Rico een dans verboden op bevel van gouverneur Pezuela. Het besluit ging als volgt: “De dans, algemeen gekend als de merengue, zaait verdorvenheid op dit eiland onder de mensen die haar dansen en is een schandelijk zicht voor diegenen die haar aanschouwen. Vanaf heden wordt zij verboden, op straffe van een boete van 50\\$ voor diegene die haar in zijn huis toelaat en 10 dagen celstraf voor diegene die haar danst.”
Er wordt beweerd dat de oorsprong van deze dans in Cuba ligt. Het zou een onderdeel geweest zijn van de Cubaanse URPA of UPA Habanera en vervolgens door de Dominicanen tot een onafhankelijke muziekstijl zijn ontwikkeld.
Er doen twee leuke verhalen de ronde over het ontstaan van de merengue. Het meest aannemelijke vertelt hoe de slaven die aan elkaar geketend waren zich daardoor gedwongen zagen met één been te slepen terwijl ze suiker sneden op de slagen van de drums. Een tweede vertelt over een grote held die aan zijn been werd gewond in één van de vele revoluties in de Dominicaanse Republiek. Toen zijn dorpelingen hem verwelkomden met een groot feest voelden de dansers zich verplicht, uit eerbied en meegevoel, te hinken en met hun voet te slepen.
De merengue werd vermoedelijk genoemd naar het mengsel dat men maakt van suiker en opgeklopt eiwit. Omdat het opzweept en luchtig en schuimig is, wie weet? Op Haïti bestaat er een gelijkaardige dans die de meringue heet, met Creoolse teksten, meer melancholie en waarbij de gitaar de plaats van het accordeon inneemt.
Er is heel wat variatie in snelheid bij de merengue. De Dominicanen houden van merengue die steeds sneller wordt naar het einde van de dans toe. Op landelijke Dominicaanse dansvloeren draait men vaak een bolero die plots overgaat in een merengue om te eindigen als een lichte, snelle jive. De meer bekende ballroommerengue daarentegen is trager, met minder hevige heupbewegingen.
De basispassen van de merengue zijn heel eenvoudig. Men danst op 2 x 4 tijden, in koppel, de man met zijn rechterarm rond de vrouw en haar leidend met haar rechterhand in zijn linker. Dit kan op twee manieren: in onafscheidelijke walshouding, of met individuele figuren zonder elkaars hand los te laten.
De traditionele bezetting voor een merengueorkest bestaat uit, de güira (= soort kalebas), de guayano (= metalen rasp, afgeleidt van de keukenrasp), de accordeon en de basdrum. Door de invloed van de Puertoricaanse danza gebruikt men op vele plaatsen in de Dominicaanse Republiek ook de bombardino, een kleine tuba.
Sinds de zestiger jaren met als voortrekker Johnny Ventura, worden ook hightech instrumenten gebruikt en is de merengue sterk onderhevig geweest aan Noord-Amerikaanse invloeden. Het ritme is echter zo goed als onveranderd, zelfs in radicale versies zoals die van de momenteel populaire Juan Luis Guerra.
De merengueorkesten hebben de bijnaam pri pri of ook wel perico ripiao (=hevige parkiet).
De meest bekende componist van merengue’s was Luis Alberti. Met het nummer “Compadre Pedro Juan” verwierf hij internationale bekendheid.
Een belangrijke variatie op de merengue is de pambiche. De pambiche is rustiger, eenvoudiger en romantischer en werd 1916 in Puerto Plata uitgevonden om de U.S. mariniers , de toenmalige bezetters, te plezieren. Het enige alternatief in die dagen om met een meisje te dansen was de hyperkinetische foxtrot.
De pambiche dankt zijn naam aan de verbastering van Palm Beach. Merengue heeft een 2kwartsmaat structuur.
The roots of the Bachata music
The music that today is called bachata emerged from and belongs to a long-standing Pan-Latin American tradition of guitar music, música de guitarra, which was typically played by trios or quartets comprised of one or two guitars (or other related stringed instrument such as the smaller requito), with percussion provided by maracas and/or other instruments such as claves (hardwood sticks used for percussion), bongo drums, or a gourd güiro scraper. Sometimes a large thumb bass called marimba or marímbula was included as well.
When bachata emerged in the early 1960s, it was part of an important subcategory of guitar music, romantic guitar music -as distinguished from guitar music intended primarily for dancing such as the Cuban son or guaracha- although in later decades, as musicians began speeding up the rhythm and dancers developed a new dance step, bachata began to be considered dance music as well.
The most popular and widespread genre of romantic guitar music in this century, and the most influential for the development of bachata, was the Cuban bolero (not to be confused with the unrelated Spanish bolero).
Bachata musicians, however, also drew upon other genres of ‘música de guitarra’ that accomplished guitarists would be familiar with, including Mexican rancheros and corridos, Cuban son, guaracha and guajira, Puerto Rican plena and jíbaro music, and the Colombian-Ecuadorian vals campesino and pasillo- as well as the Dominican merengue, which was originally guitar-based.
Before the development of a Dominican recording industry and the spread of the mass media, guitar-based trios and quartets were almost indispensable for a variety of informal recreational events such as Sunday afternoon parties known as pasadías and spontaneous gatherings that took place in back yards, living rooms, or in the street that were known as bachata’s.
Dictionaries of Latin American Spanish define the term bachata as juerga, jolgorio, or parranda, all of which denote fun, merriment, a good time, or a spree, but in the Dominican Republic, in addition to the emotional quality of fun and enjoyment suggested by the dictionary definition, it referred specifically to get-togethers that included music, drink, and food. The musicians who played at bachata’s were usually local, friends an neighbours of the host, although sometimes reputed musicians from farther away might be brought in for a special occasion.
Musicians were normally recompensed only with food and drink, but a little money might be given as well.
Parties were usually held on Saturday night and would go on until dawn, at which time a traditional soup, the sancocho, was served to the remaining guests.
Because the music played at these gatherings was so often played on guitars (although accordion-based ensembles were also common), the guitar-based music recorded in the 1960s and 1970s by musicians of rural origins came to be known as bachata.
The word bachata also had certain associations, upper-class parties would never be called bachata’s. In his book ‘Al amor del bohío’ (1927), Ramón Emilio Jiménez, a distinguished Dominican “man of letters” and “writer of manners,” described a bachata in terms that reflect how such gatherings were associated by the elite with low-class debauchery and dissipation:
The “bachata” is a centre of attraction for all the men, where the social classes from those who attend them are levelled and where the coarsest and libertarian forms of democracy predominate.
The most elegant figures of the barrio are there, daring and audacious.
The setting of these dissolute pleasures is a small living room impregnated by odours that seem conjured to challenge decency….In an adjoining room a guitarist plucks and unleashes into the contaminated air of the house (a) blazing street-level couplet, to which a singer with a well-established reputation as a “second” makes a duo, provisioned with a pair of spoons which he strikes to accompany the melody.
Among Dominicans there is considerable disagreement as to exactly when the term bachata come to refer to a particular kind of music.
In the absence of any systematic research into the subject, there is a tendency for people to rely on their own memories, which vary according to their age, class, and where they grew up.
According to bachata musicians themselves, it was in the 1970s that the guitar-based music they recorded came to be identified by the term bachata, which by then had lost its more neutral connotation of an informal (if rowdy) backyard party and acquired an unmistakably negative cultural value implying rural backwardness and vulgarity.
For example on hearing one of these recordings, a middle- or upper-class person might say something like “¡Quítate esa bachata!” (Take that bachata off!). By using the term in this way, a style of guitar music made by poor rural musicians comes to be synonymous with low quality.
The condemnation fell not only upon the music and its performers, but upon its listeners as well; the term bachatero, used for anyone who liked the music as well as for musicians, was equally derogatory.
In the late 1970s and 1980s, the worsening social and economic conditions of bachata’s urban and rural poor constituency were clearly reflected in bachata.
The instrumentation remained the same, but the tempo had become noticeably faster, and the formerly ultra-romantic lyrics inspired by the bolero became more and more concerned with drinking, womanizing, and male braggadocio, and increasingly, it began to express desprecio (disparagement) toward women.
As bachata’s popularity with the country’s poorest citizens grew, the term bachata, which earlier had suggested rural backwardness and low social status, became loaded with a more complicated set of socially unacceptable features that included illicit sex, violence, heavy alcohol use, and disreputable social contexts such as seedy bars and brothels.
Until recently, bachata was a musical pariah in its country of origin, the Dominican Republic.
Since its emergence in the early 1960s, bachata, closely associated with poor rural migrants residing in urban shantytowns, was considered too crude, too vulgar, and too musically rustic to be allowed entrance into the mainstream musical landscape.
As recently as 1988, no matter how many copies a bachata record may have sold -and some bachata hits sold far more than most records by socially acceptable merengue orquestas- no bachata record ever appeared on a published hit parade list, received airplay on FM radio stations in the country’s capital Santo Domingo, or were sold in the principal record stores.
Bachata musicians appeared only rarely on television and they performed only in working-class clubs in the capital. In contrast, even second rate merengue orquestas were given lavish publicity and promotion, and they entertained at posh private clubs and nightclubs.
©Tachibon, januari 2009.


